Berichten van de Spotvogel

In het voorjaar van 2015 was ik gastcurator in Museum Arnhem. Ik kreeg de opdracht een overzichtstentoonstelling te maken van de Arnhemse kunstenaar Ad Gerritsen, die juist in die periode overleed. Samen met mijn collega’s van Plaatsmaken werkte ik aan het project, dat grote indruk op ons maakte. Bij de tentoonstelling verscheen een cahier met verschillende teksten over de kunstenaar, van Fleur Junier, Mirjam Westen en Miriam Windhausen. In mijn tekst beschrijf ik de totstandkoming van de tentoonstelling. Het cahier is uitverkocht.

 

Over de totstandkoming van Berichten van de spotvogel

1.

Ad Gerritsen komt aanvankelijk als nogal onbenaderbaar op mij over. Ik ontwijk zijn blik liever dan dat ik een praatje aanknoop. Bovendien voel ik een weerzin tegen zijn werk, achteraf waarschijnlijk omdat het zo confronterend is. Hij heeft dan al heel wat projecten met Plaatsmaken gedaan, en aangezien ik daar nieuw ben heb ik de schone taak kennis te maken met iedereen die ik nog niet ken. Omdat ik van een aantal mensen begrijp dat Ad toch beslist een aardige vent is, schrijf ik hem vlak na mijn aantreden in 2010 een brief, waarin ik vraag of ik eens op zijn atelier mag langskomen. Gevoelsmatig denk ik dat hij vast niet aan zoiets moderns als email doet. Nadat hij mij heeft opgebeld, ga ik naar Heveadorp. We kunnen eigenlijk direct goed met elkaar opschieten, we hebben een ‘recht vooruit, geen omweg’ mentaliteit gemeen. Ik ben onder de indruk van de vreemde tijdloosheid van het atelier en de afzichtelijke en tegelijkertijd mateloos fascinerende schilderijen, collages en tekeningen. Ad blijkt een enorme verzamelaar te zijn van tamelijk opvallende dingen zoals scheerkwasten waar hij een plastic hoofdje op zette, foto’s van criminelen die hij in een letterbak plakt, ansichtkaarten en voetbalspeldjes. Een opgezet veulentje dat hij heeft bedekt met houten blokjes als luguber hoogtepunt. Er hangen bovendien heel wat werkjes en krabbels van zijn oud-studenten aan de muur. Ook van voormalige patiënten trouwens, uit de tijd dat hij als creatief therapeut werkte in de jaren zeventig. Zo is er een kleine houtsnede van een man die een vrouw draagt, waarvan ik in eerste instantie denk dat hij die zelf heeft gemaakt. In veel foto’s die hij heeft opgeprikt vallen latere werken te herkennen. Het is alsof her en der alvast zinnen uit een nieuw verhaal verspreid op de vensterbanken liggen en aan de muren hangen.

Nadat ik in 2011 een tentoonstelling van zijn werk bij Plaatsmaken heb gemaakt, houden we contact. Er is altijd wel een aanleiding om naar het atelier te gaan, en zo nu en dan komt Ad bij Plaatsmaken. Zomaar op doortocht, of om iets te drukken. Dan vertelt hij met een grote begeestering over een tentoonstelling die hij heeft bezocht, vaak de catalogus onder de arm.

Ad Gerritsen, Gezichts einder, 2010

 

“Het werk van Ad Gerritsen (1940) behoort tot het collectief geheugen van Arnhem,” schrijf ik in die tijd. “Zijn messscherpe tekeningen en schilderijen vertellen de verhalen die de toeschouwer er zelf op projecteert. Die verhalen kunnen van alles zijn: het doet eigenlijk niet ter zake. Mensen kijken tenslotte louter vanuit hun eigen geschiedenis naar de dingen. Gerritsen zorgt alleen voor het kader. Voor hem is het belangrijk dat er een verrassing in het werk zit, een kleur die je niet had verwacht, of een detail dat zomaar een andere draai aan de voorstelling geeft. Het werk van Gerritsen is onontkoombaar, zowel fysiek als voortkauwend in je gedachten als je het eenmaal hebt gezien. Tegelijkertijd is het ongrijpbaar. Het is als een laaghangende wolk boven de stad. Uiteindelijk kom je altijd wel een keer iets van de kunstenaar tegen: in een overheidsgebouw, het museum, bij mensen thuis. Stuk voor stuk hebben de geportretteerden iets ongemakkelijks; ze kijken ongelukkig, nors, onverschillig, hysterisch of opgewonden. Ze ondergaan hun lot gedwee. Ze plooien zich in de onmogelijke poses die de kunstenaar hen heeft toebedacht omdat ze bijvoorbeeld misschien wel dood zijn.”

In het voorjaar van 2014 spreken we een solotentoonstelling af in de galerie voor het eind van het jaar, wat aanleiding is om hem regelmatig te zien. Niet al die bezoeken zijn prettig, Ad is al best ziek zodat ik hem ook wel eens thuis op zoek in plaats van op het atelier. Het komt een keer voor dat ik na een half uur alweer buiten sta zonder iets wijzer te zijn geworden. Hij was in een enorm slecht humeur.

Een bezoek ergens in september is mij het meest bijgebleven. Het is een warme middag en we hebben om twee uur in Heveadorp afgesproken. De hele middag zitten we te praten over alles waar je het over zou kunnen hebben daar te midden van dat werk: misdaden, kinderen en school, vrouwen, verwachtingen, de vader van mijn vriendin die om de hoek woonde bij Ad, terroristen, de dood. Intensieve gesprekken. Een groot doek staat klaar om te worden beschilderd, de schets er al op: een zangeres met een gitaar die omringd wordt door een horde hysterische Japanners. Zijn dochters hebben in de auto een doos met serviesgoed gezet en dat halen we op, zodat we er koffie uit kunnen drinken. Het is al ver na vijven als ik langzaam terug naar Schaarsbergen fiets, vol met gedachten.

Vier dagen later, op maandag, belt zijn vrouw Marianne me. Ad heeft zijn heup gebroken. Als hij aan het revalideren is, ga ik naar hem toe in het verpleeghuis. Ik zie er tegenop. Iets met de onvermijdelijkheid van het verval en hoe zwaar je daar over kunt praten. Maar als we in het restaurant koffie drinken kunnen we toch best lachen om de mensen die daar liedjes over ‘de Here’ aan het zingen zijn. We hebben een gesprek over allerlei dingen, ook over de man met de zeis, die staat te wachten. Hij zegt mij dat ik de tentoonstelling bij Plaatsmaken dan maar alleen moet maken als hij er niet bij kan zijn. Dat hij niet meer naar het atelier zal gaan om dat grote doek af te maken komt niet ter sprake.

Hij is erg eenzaam zo zonder Marianne, en na een paar weken sturen ze hem naar huis. Omdat de tentoonstelling dichterbij komt, moeten er dingen gebeuren. Met dochters Kathelijn en Belle, die ik beiden voor het eerst ontmoet, rijd ik naar de opslag om werk uit te zoeken. Met Belle ga ik een week later naar het atelier om daar het werk op te halen. Ik heb de tentoonstelling ingericht en het is Ad niet gelukt om te komen, ook niet naar de opening. In die tussentijd ben ik een wel een paar keer bij hem geweest om hem op de hoogte te houden. We zitten dan in de voorkamer, Ad en Marianne steevast rokend, en Klaas is er ook een keer bij. De opening wordt druk bezocht, Ronald Ophuis spreekt een warm woord over zijn oude meester. De dochters glimmen.

In de weken daarna krijgen we zo’n enorme toeloop van publiek, dat we besluiten de tentoonstelling te verlengen. Mensen zijn ontzettend blij het werk te zien. Nooit eerder hadden we zoveel bezoekers.

Miriam Windhausen, hoofd museale zaken Museum Arnhem stapt de tentoonstelling binnen en is diep onder de indruk. Dezelfde middag belt ze op om over een tentoonstelling in het museum te praten. July en ik gaan de volgende dag naar Ad. Wat wil hij zelf? Hij stelt voor drie grote schilderijen te kiezen en daaromheen andere werken te verzamelen. Ik stel daarnaast een ‘denklandschap’ voor, inspiratiebronnen en schetsen uit het atelier.

Bij het kiezen van de drie schilderijen gaat het al meteen een bepaalde kant op: we kiezen min of meer dezelfde. Drie thema’s worden uitgelicht: vrouwen, jeugd (onschuld) en misdadigers. In de zaal met het vrouwenthema volstaat het niet met maar één werk voor de dag te komen. Er zijn drie grote schilderijen die met elkaar verband houden. Op twee ervan is een merkwaardige varkenskop in lijn erop getekend. Later in het verhaal blijkt er een vierde werk te zijn dat er bij past. Eén schilderij heet De Picknick, en is na aankoop door een particulier, vlak nadat het voltooid was, nooit meer in het openbaar te zien geweest. Maskotte, het meest recente werk binnen dit thema, gemaakt in 2011, wordt door Museum Arnhem aangekocht. In dit werk komen veel van Gerritsens thema’s terug zoals de ‘cliché-mannen’; lompe meelopers en klierige gasten, maar vooral het overall-motief van de kwetsbare enkeling. Net als in de andere twee werken in deze zaal, moet de vrouw het hier ontgelden. Ze wordt bespot, getreiterd, tot het uiterste gedreven. Haar werkelijke zelf genegeerd.

Ad Gerritsen, Maskotte, 2010

 

Voor het jeugdthema vragen we Supporters op, en het beeldschone schilderij Onder de Chocoladeboom, beide uit de collectie van het museum, maar in langdurig bruikleen gegeven aan het stadhuis waar ze op wethouderskamers hangen. Ad vertelt over zijn jeugd, en de situaties die hem zijn bij gebleven. Dat hij zich wel eens verstopte in het portiek toen de buurjongetjes langs renden, zodat hij niet mee hoefde naar die grote boom in het park.

Ad Gerritsen, Onder de Chocoladeboom
Olieverf op doek, 1999

 

Met groot genoegen heb ik geluisterd naar zijn verhalen over misdadigers die dachten weg te komen met hun onbezonnen daad. Ad is er dol op, en heeft een hele verzameling boeken waarin dit soort verhalen zijn opgetekend. Prachtige titels zoals In hun groei bedorven, en In de roes van de misdaad, voorzien van fraaie foto’s en dito bijschriften. Een echte inspiratiebron voor de kunstenaar, die zijn eigen betekenis zocht in het fenomeen van schuldig-zijn. Wanneer ben je schuldig? Als je wordt gefotografeerd met een balkje over je ogen? Als je door de rechtbank wordt veroordeeld, zelfs al zou er een blote dame bij staan? Wat is schuld eigenlijk?

Ad is bijzonder geïnteresseerd in de vooringenomenheid waarmee wij andere mensen beoordelen. Het hele idee van schuld en misdaad en alles er omheen is aanleiding geweest voor een grote hoeveelheid werken. Hoe het brein werkt bij criminelen is dikwijls onderwerp van gesprek geweest in het atelier.

In het prentenkabinet van Museum Arnhem bekijk ik met witte handschoenen aan de verzameling grafiek die ze hebben van Ad. Etsen met Marinus van der Lubbe, in heldere lijnen. Zeefdrukken in knalkleuren uit de beginperiode. In- en uitgangen van de mens, rare figuren met gekke kousen aan. Het meest verrast ben ik door de serie Crimes and Criminals, vijf zeefdrukken uit 1974 met afbeeldingen van notoire misdadigers. Er staan aanduidingen bij zoals Alger Hiss 1904, with his brother Donald (left) 1948. Van sommige figuren zijn de gezichten weggelaten, open voor welke projectie dan ook. Flannelfoot heeft een grasveldje waar je zijn gezicht zou verwachten. Hij zal nog vele keren opduiken. Waarschijnlijk is het schilderijtje dat Ad in 2014 van hem maakte, zijn laatste geweest. De kleuren zijn helder, fraai, en totaal onverwacht omdat ze in het boek Het ontstellende werk van Ad Gerritsen in zwart wit zijn afgebeeld. Vooral het enorm rode haar van Timothy John Evans, Executed for Murder, 9 March 1950, The Christie case is opvallend. Terwijl ik dit schrijf kan ik me levendig het genoegen voorstellen dat Ad aan het maken van deze werken heeft beleefd. Het zijn heerlijke zinnen om op te schrijven, en titels als The King of sexual delinquents en Vampier van Düsseldorf zijn echt cadeautjes uit de geschiedenis die de kunstenaar ongetwijfeld lieten smullen.

Ad Gerritsen, Timothy John Evans, zeefdruk, 1974

Het atelier moet worden leeggeruimd voor de sanering van de vloer. Al die jaren heeft er asbest onder de tegels gelegen, en dat begint nu af te brokkelen. Er staat een zeecontainer klaar om zolang de spullen in op te slaan, maar er kan natuurlijk geen sprake van zijn dat de schilderijen daar ook in gaan. Na een paar telefoontjes komt er een tijdelijke opslag beschikbaar waar met enkele ritten met de grote bus van Francois alles heen kan. Samen met Belle en Kathelijn ruim ik de kasten leeg. Om te helpen, maar ook om spullen te verzamelen voor de denklandschappen in het museum. Collega’s Mars en René helpen mee. We pakken alles zorgvuldig in. De spullen voor het museum doen we in aparte dozen, die gaan eerst naar Ad thuis. Collages, foto’s, gekke souvenirs die toch ergens aan het werk doen denken. Probeersels, zijwerken. Alle schilderijen die in het atelier staan worden gedocumenteerd, en van een nummer voorzien. Het is echt veel. Er is een foto van een jonge man met enorme hoektanden. Wij denken allemaal dat het vast iets te maken heeft met de Vampier van Düsseldorf. De foto hangt hoog aan de muur, waardoor hij nogal prominent aanwezig is. Ik verheug me erg op het verhaal erachter. Ad moet er hartelijk om lachen: het blijkt een oud-student, die een geintje uithaalt. En nee, niet geschikt voor het museum.

Die denklandschappen. Je zou vanuit de verzameling spullen een wilde gok kunnen doen naar hoe het werk eruit ziet. Dingen die je je niet kunt voorstellen komen erin terug, zoals kleine hoofdjes, dragende mannen. Een vreemde jaren tachtig vrouw met enorme schoudervullingen komt verschillende keren voor; als foto, als grotere foto, als schets, met een engel tussen haar benen.

De verzameling is als de droom die de kunstenaar had voordat hij aan het echte werk begon. Het past net niet helemaal lekker, het is net niet hetzelfde, hooguit de sfeer en her en der iets als kleur en lijn. Maar ook is het een sterk doorléven van dat echte werk: als hij het even niet meer wist, of gewoon ter afwisseling, maakte hij een ‘zijwerk’, meestal grafiek, of iets ruimtelijks, een klein schilderijtje waarin hij dan zijn wens voor een nog heviger emotie kwijt kon.

 

4.

Er moet een titel komen voor de tentoonstelling. Ad laat het aan mij over. Mijn gedachten dwalen over de betekenis van het werk. Samengestelde verhalen, bijeengeraapt door de kunstenaar met verzameldrift, in een nieuw en krokant jasje. Representatie, je eigen geluid maken met gebruik van andermans melodie, niet vanuit de wens het te jatten, maar juist vanuit de intentie iets nieuws te componeren met daarin het verhaal van iemand anders, van vele anderen, zodat het universeler wordt. En wiens verhaal is het dan uiteindelijk?

Misschien mag het ook een gedicht of een lied zijn. Of zelfs een bericht, zoals de kunstenaar ook veel ‘Berichten’ maakte. Een spotvogel is een kleine zangvogel die in zijn eigen zang de liedjes van andere vogels leent en zo tot een nieuwe en verrassende compositie komt. Wat leuk is bovendien, de naam van het beestje. Er wordt heel wat af gespot in het werk van Ad Gerritsen.

Berichten van de Spotvogel.

 

5.

Buiten is het lente aan het worden. Het gazon staat vol met krokussen. Vlaamse gaaien maken alvast ruzie. De deur staat op een kier. Ad rookt een sigaret. We nemen de museumdozen door. Op een paar zwart-wit foto’s zien we de muze van de kunstenaar, zijn vrouw Marianne, in haar jonge jaren. Ze wordt er zelf verlegen van als ze even meekijkt. Marianne in een bamboebos. Verder bekijken we speelgoedpistooltjes, voetbalspeldjes, een bewerkte foto van een vrouw die iets in haar mond stopt. De jaren liggen hier verzameld in dozen bij elkaar. Ik heb een heel kostbaar pakketje in mijn handen: de oorspronkelijke collages van de Supporters. Naarmate ik langer met het werk bezig ben, ga ik er anders naar kijken. De dingen waar ik vroeger zo’n weerzin tegen had vind ik nu ontroerend. Het is mooi om terug te reizen in het oeuvre, om het bronmateriaal te zien en wat hij daarmee heeft gedaan.

Er is een hele stapel met collages, sommige heel herkenbaar als de oorsprong van latere schilderijen. Ad heeft er duidelijk plezier in ze allemaal weer eens terug te zien. Het brengt hem terug in zijn atelier. Die tijdelijke verhuizing van het atelier heeft achteraf veel goeds opgeleverd. Ik zeg tegen Ad dat ik me een detective voel, zo de hele week zijn werk doorspitten, uitzoeken waar het zich allemaal bevindt en wat het zou kunnen betekenen.

 

Naast Ad en Marianne woont de familie Akkersdijk, die een aantal werken van Gerritsen in huis heeft, waaronder De Picknick uit 2001, een immens doek dat een belangrijke rol speelt in de tentoonstelling. Het hangt in de eetkamer. Je kunt er niet naast kijken. Het kleurrijke werk met de wat treurige voorstelling bepaalt de sfeer in de ruimte. Er is een groep mensen te zien die op een kleed een picknick houden, in gedachten verzonken, kauwend. Archetypische mannen, lompe boeren. Er is één vrouw die haar bloesje omhoog heeft geschoven in de hoop daar aandacht mee te trekken. Haar blote borsten zijn als bleke taartjes die niemand lust. De eigenaars van het schilderij zijn er erg aan gehecht, vooral Moon, de vrouw des huizes. Ze vindt het lastig dat ze het drie maanden zal moeten missen voor de tentoonstelling. ‘Ik hoopte dat het over zou waaien, of dat het je tegen zou vallen in het echt,’ zegt ze tegen me. De waarheid is dat het nog krachtiger is dan ik dacht, het sleept je mee in een wereld waarvan je niet zeker weet of je daar wilt zijn. Het is een buitengewoon werk, ik zou er niet kunnen van slapen als het niet in de tentoonstelling komt. Haar man Michiel heeft het schilderij gekocht toen het net af was, en het is daarna nooit meer ergens te zien geweest. Ze verklaarde hem voor gek met zo’n idioot groot ding thuis te komen. Ruim twee meter bij drie. Hij moest er een bus voor huren. Maar toen de Picknick eenmaal hing, zo bij de eettafel, in het warme interieur met bloemen en geuren en de zachte kleuren, wilde ze er nooit meer vanaf. We dwalen door het huis. Er hangt een ander werk dat direct de aandacht trekt. Een jongeman op blote voeten, het is Marinus van der Lubbe in een strakke compositie met een zachte kleurstelling, een beetje taupe. Moon ziet me kijken. ‘Akzo Nobel heeft er ook zo één,’ probeert ze met een glimlach. Later die dag laat ik haar weten dat ik hun Marinus uitkies. Die is wat scherper. We spreken af dat er gedurende de afwezigheid van hun schilderijen andere voor in de plaats zullen komen. Er zijn nog een aantal grote werken in het atelier, en Ad vindt het goed wanneer we tijdelijk iets omwisselen.

Ad Gerritsen, de Picknick, 2001, boven de tafel bij de familie Akkersdijk (foto: Yke Reilink)

Het is opvallend hoezeer mensen gehecht zijn aan hun ‘Ad’. Ik denk erover na. Het zijn geen gemakkelijke werken, die uitblinken in esthetiek. ‘De beelden zochten voortdurend ruzie met mijn oog’, schrijft Hans Janssen in het boek Het ontstellende werk van Ad Gerritsen. De schilderijen zijn ongemakkelijk, schuren, kwellen zelfs, ze vragen echt iets van de kijker. Je moet er moeite voor doen ze te appreciëren. Het kost tijd. Waarschijnlijk is dat het: mensen hebben de schilderijen echt ‘veroverd’, en vinden het daarom moeilijk ze af te staan.

Langzaam maar zeker is nu iedereen bij Plaatsmaken betrokken bij de tentoonstelling. Mars maakt een maquette van de drie zalen, en Bob print de werken uit op schaal. In dit kleine minimuseum kunnen we kijken of het echt al zo vol is als July denkt. Dat valt mee. De mini-Picknick op een hele wand, dat gaat prima. In de vrouwenzaal kan er best nog een groot werk bij, en ik weet ook al welk: Beschouwers uit 1991. Ook al zo’n enorme lap van een schilderij. Ik liep er al een tijdje mee rond maar dacht dat het niet meer zou passen. Voor de jeugdzaal wil ik de hele serie Paradise Lost samenbrengen. Dat is niet zo eenvoudig, ze zijn bijna allemaal verkocht, door verschillende galeries, aan mensen in het hele land. De serie van kinderen die zijn blootgesteld aan een groot trauma is belangrijk in het oeuvre. Het is een groeiende serie die over lange periode is ontstaan. Het zijn universele portretjes die groot verdriet en eenzaamheid laten zien, iets wat ons allemaal kan overkomen maar waar je liever niet over na wil denken. In 2013 drukte Ad een drieluik bij Plaatsmaken op de grote pers waarin het trauma is gereduceerd tot scherpe lijnen. Alle ballast weg, geen overbodige details, open tot in de ziel van het verhaal. De lege blik van de kinderen vergeet je nooit meer.

Ad Gerritsen, Paradise Lost 1, linosnede, 2013
Ad Gerritsen, Paradise Lost 2, linosnede, 2013
Ad Gerritsen, Paradise Lost 3, linosnede, 2013

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik ga bij Ad thuis de museumdozen ophalen, en hem de maquette laten zien. Hij vindt het prachtig zo, handzaam en overzichtelijk. Een kunstenaarsleven op de vierkante meter samengevat. Er moet nog wat verder gewerkt worden aan hoe het wordt, maar de grote lijnen staan vast.

Beschouwers uit 1991 hangt in het souterrain van huize Gerritsen. Het is net zo’n formaat als de andere in de vrouwenzaal, twee bij drie meter. Een groep mannen heeft zich verzameld rond een opgewonden kijkende vrouw, die zich aan de rand van een tafel vasthoudt. Een schouder is ontbloot, en er is ruim zicht op haar decolleté. Voor haar op tafel ligt een verzameling schedels. De mannen zijn weer van het type ‘oude viezerik’, met regenjassen aan, de blik gefixeerd op de blonde dame in het midden. Het schilderij is naar binnen getakeld toen er een nieuwe pui werd geplaatst. Om het weer naar buiten te krijgen moet eerst de trap naar de tuin verwijderd worden.

Marianne is opgelucht dat het schilderij weg gaat. Ze vindt de schedels akelig. Ad maakt er een wrang grapje over, waardoor we moeten lachen. Hij blijft zijn eigen droge zelf. Ik ga weer terug naar Plaatsmaken met de dozen.

‘Dag Ad.’

‘Dag Inge.’

Ineens heb ik het gevoel dat het de laatste keer is dat ik Ad zie.

 

8.

Tussen twee tentoonstellingen in pakken we de dozen uit en stallen alles uit in de galerie. We maken er drie groepen van, die corresponderen met de zalen in het museum. De verzamelingen ‘vrouwen’ en ‘misdaad’ zijn het grootst. In andere dozen liggen veel van de boekjes die Ad ooit maakte. Er zijn verrassingen, zoals een oud boekje waarin hij een project uitvoert met Marten Hendriks. Ze meten elkaar op, knippen de ogen uit foto’s van zichzelf en plakken die bij de ander er weer in. In het boekje Rape meen ik de Vergeten verhoren te herkennen. Omdat we de boekjes wel willen laten zien, maar niet door al die handen willen laten gaan, hebben we bedacht ze te filmen. Steeds een bladzijde omslaan in een kalm ritme. Uit de dozen haal ik de meest veelzeggende boekjes tevoorschijn. Ook hier blijkt weer dat het aantal boekjes dat over misdaad gaat, of eraan refereert, het grootst is.

Het atelier is eindelijk weer opgeleverd en alle spullen kunnen erin terug. Het is een grote puinhoop. Kathelijn en Belle hebben alles naar binnen gesjouwd met grote neven en zonen. De galerie uit Den Haag heeft werk terug gebracht, en uit de tijdelijke opslag is ook een enorme voorraad gekomen. Nu moet er orde in worden aangebracht. We maken een aantal hoeken, die we voorzien van labels: ‘Af en klaar’, ‘fotograferen voor cahier’, ‘fotograferen maar niet voor cahier’, ‘glashoek’, ‘museum- en uitwisselhoek’, ‘waarschijnlijk af en klaar’. Twee schilderijen die te groot zijn en in geen enkele categorie passen laten we stiekem even op de gang staan. Het is belangrijk dat er ook gelachen wordt. Kathelijn en ik bekijken alle mappen uit een kast die we de vorige keer dicht hebben gelaten. Het is een echte schatkist, zo blijkt al snel. Alles zit door elkaar, er is geen chronologie in de enorme stapel schetsen, foto’s, grafiek (zowel gesigneerd als ongesigneerd en of genummerd). Beeldschone zeefdrukken van Marinus van der Lubbe. Ook twee hoogdrukken van dezelfde tekening, maar dan allebei anders uitgevoerd en in een andere kleur. Een proefdruk van één van de Paradise Lost jongetjes. Van een ander, heel aandoenlijk jongetje zijn er drie varianten. Eentje ten voeten uit, de kleuterkuitjes boven ouderwetse schoentjes. Om zijn ogen staan donkere kringen. Even later treffen we het jongetje aan op de tentoonstellingsaffiche van het Museum Arnhem in 2002. Verder zijn er nog een hoogdruk van een meisje met een gebroken kralenketting, een aantal zeefdrukken uit de jaren zeventig die ik niet ken, en Kathelijn ook niet. De Italiaanse criminoloog Lombroso staat erop. Deze man beweerde dat je de misdadigheid uit iemands gelaatstrekken kunt afleiden. Een fascinerende gedachte, die Ad vaak heeft aangehaald in zijn werk.

De scheerkwasten met de plastic hoofdjes erop zijn door mijn hoofd blijven spoken de afgelopen weken. Ik vis ze uit wat we de ‘vensterbankdoos’ hebben genoemd, de doos waarin we alles van de vensterbank hebben gestopt. Wat heeft Ad gedacht toen hij dit maakte? En twéé nog wel. Eén hoofdje is in de loop der jaren zompig geworden en echt een beetje weggezakt in de kwast. Het andere buitelt vrolijk van zijn kwast af als ik het meeneem naar Plaatsmaken om het daar in een museumdoos te doen. July kijkt me aan alsof ik gek geworden ben. Wat moet ik met zulke bizarre vondsten? Het gekke is dat er op de één of andere manier toch een relatie is met de schilderijen, met het gevoel dat daarin zit.

 

9.

Ad overlijdt op een zonnige witte donderdag. July en ik branden een kaars en drinken een glas wijn op Ad, die nu echt is vertrokken. Het is een rare dag. ’s Ochtends heb ik met Maurice pagina voor pagina de boeken van Ad gefilmd, zodat mensen er toch doorheen kunnen bladeren, zonder ze aan te raken. Daarna is Maurice weggegaan, en zijn July en ik alleen. Dit gebeurt nooit, altijd is er wel reuring bij Plaatsmaken. En waar anders de hele dag door de telefoon schel rinkelt, is het deze middag stil. De familie wil graag dat er een bericht uitgaat naar relevante media. We sturen een persbericht met afbeeldingen rond. Ik bel Mirjam Westen van het museum.

Ad Gerritsen
Paradise Lost III
2005

 

Een week na de uitvaart sta ik met Kathelijn en fotograaf Ton weer in het atelier, om de werken te fotograferen die terug zijn gekomen uit Den Haag. Terwijl Ton alles klaar zet, kijken wij rond in de verschillende hoeken die we twee weken eerder hebben ingericht. Het valt best mee. Want hoewel er nog veel werk over is, hebben we het meeste vastgelegd, en alles wat naar het museum moet staat klaar voor transport. Het met houtblokjes beplakte veulentje is er ook weer: het lag eerst in de gang op een kast, en nu ligt het wezenloos op de vloer midden in de ruimte. De buurman heeft het daar neergelegd vanwege de schoonmaak van de gang. Door de recente gebeurtenissen heeft het dier een andere lading gekregen, het is nog stiller, gestold in de tijd. We fotograferen de Nachtkijker, het laatste grote doek dat Ad heeft gemaakt. Daarna is het af en klaar.

 

© Inge Pollet, 2015

© Foto’s: Familie Gerritsen

 

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren