De Slaapwandelaar

Dit verhaal schreef ik naar aanleiding van de solotentoonstelling ‘ De Slaapwandelaar’ van Aline Eras bij Plaatsmaken, september 2018. Haar beeldtaal was het uitgangspunt.

De Slaapwandelaar

Er waaide een groene wind door het bos. De Slaapwandelaar liep zijn dagelijkse rondje. Iets meer dan vijf kilometer, over dikke en dunne paden. Van zuid naar noord, en via oost weer terug. De richting benoemen was belangrijk in de perceptie. Door het gebrek aan regen was een groot deel van de paden moeilijk begaanbaar vanwege het losse zand. Soms viel de slaapwandelaar bijna. De wortels van bomen staken opeens omhoog, en her en der lagen takken dwars in de loop. Het vallen op zich was een sensatie die in ieder geval weer een flard van bewustzijn teweegbracht in het verder monotone gemoed. Alsof er iemand met een tak heel even in zijn been prikte.

De Slaapwandelaar was begonnen met het maken van een dagelijkse wandeling via steeds dezelfde route toen hij merkte dat hij niet meer uit zijn woorden kwam. Hij was zijn woorden verloren in een tijdsbestek van enkele maanden. Hoe het zover was gekomen was hem niet duidelijk, het leek wel alsof hij op een dag niet echt meer wakker was geworden uit een diepe slaap. Een alarmerende situatie waar nodig aan gewerkt moest worden. Niet eerder was de Slaapwandelaar zo uitgebreid verstoken geweest van tekst. Zelfs het schrijven ging hem moeizaam af. Gelukkig was hij wel in staat te denken in woorden. In zijn hoofd sprak hij de wens tot terugkeer van de taal uit, en bracht die in praktijk door een heel gestructureerde wederkennismaking met zijn eigen gedachten te forceren. Dat ging het beste in het bos. Door het zich herhalende ritme van bomen en struiken die hij zo langzamerhand goed kende, kreeg hij weer grip op de werkelijkheid en was hij bijna zo ver dat hij zich weer onder de mensen kon begeven. Maar vandaag nog niet.

Hij had zich stellig voorgenomen om in zeven dagen de woorden terug te vinden die hij de afgelopen tijd kwijt was geraakt. Met het terugvinden van de woorden van de wereld zou het mogelijk moeten zijn om weer echt in de werkelijkheid te komen, dacht hij. Voor nu telde alleen het bos. Hij keek naar de insecten en hield stil bij vermoeden van wild dier. Hij sprong over een dode boom, zat zijn denkbeeldige broer achterna op een hellinkje. De bladeren ritselden.

Het benoemen van alles wat voorbijkwam maakte onderdeel uit van de routine. Grip krijgen op de dingen, plaats en naam bepalen. Volgorde ook, en daarmee tijd en werkelijkheid. Op de eerste dag begon hij. ‘Eik, eik, kleinere eik, mierenhoop’, mompelde hij voor zich uit. Toen hij in de brede laan met beuken kwam werd het een ander riedeltje. Het ging wel langzamer, want woorden zeggen duurt langer dan lopen. Dat was trouwens vaker aan de hand. Bovendien vloog er een buizerd laag over. Knap hoe zo’n dier weet te navigeren tussen de bomen en struiken door. Ik wou dat ik even in zijn hoofd kon wonen, dacht de Slaapwandelaar somber. Zonder botsen navigeren tussen bomen en scherpe uitsteeksels leek hem de oplossing voor veel van zijn problemen.

De tweede dag was het stil in zijn hoofd. Heb ik eigenlijk wel veel woorden? vroeg de Slaapwandelaar zich af terwijl hij in en uit de werkelijkheid stapte. Soms keek hij naar zijn handen die al die dingen deden en voelde nauwelijks verbinding tussen zijn denken en zijn doen. Dat maakte hem ongerust.

Op de derde dag richtte de Slaapwandelaar zich op de stenen onderweg. Hij tuurde naar de grond en probeerde een patroon te ontdekken in de steentjes die toevallig door de natuur daar waren achtergelaten. Dat was er niet. De stenen waren in zichzelf gekeerd, en pas na lang aandringen in zijn hoofd kon hij iets begrijpen van wat ze wilden zeggen.  ‘Laat ons met rust, we zijn in onszelf, we zijn niet voor niets van steen.’ Hij ging erbij zitten. Wat als woorden binnen blijven zitten en niet naar buiten willen?

Er lagen veel lange dennenappels in het bos. De vierde dag besloot hij die te verzamelen en nam een grote zak mee voor hij vertrok. Toen hij die vol had, kieperde hij deze leeg en staarde ernaar. Hij legde er woorden mee. Sommige hadden een bochtje, dat kwam goed van pas bij een ‘O’. Wat wilde hij vertellen?  T R O O S T, stond er. En  S T I L. De Slaapwandelaar ging teleurgesteld verder het bos in. Dit armetierige vocabulaire uit zijn onderbewustzijn viel hem zwaar tegen.

Aline Eras, tekening, 2018

In de nacht was alles anders. In de nacht was daar het verstikkende en tegelijkertijd omhullende duister van zijn gedachten. Hij was er met denkbeeldige vrienden, met wie hij het leven besprak en wier huid hij kon lezen. Het was een andere werkelijkheid dan die van overdag, waar hij maar niet aan kon wennen. Schelle zon, te veel zweet, te weinig snelheid in de tijd. De radeloosheid van de uren klom in zijn kleren.  In de nacht werd die prettig gesmoord door maar een halve aanwezigheid van zijn brein.

In de dagen die volgden bedacht de Slaapwandelaar steeds iets anders. Hij zette alle omgevallen kevers die hij tegenkwam weer rechtop, keek naar de kleine padden die overstaken met gevaar voor eigen leven. Hij legde een lange rij takken in de lengte aan elkaar en daarna legde hij ze overdwars. Hij zocht haren van paardenstaarten in het prikkeldraad in het midden van het bos. Die vlocht hij in elkaar. Bij dit alles ervoer hij een toenemende rust, hij bedwong er zijn angst mee en fluisterde hardop de woorden die hij graag wilde horen. In het ruisen van de bladeren voelde hij zich thuis.

Op de laatste dag rende de Slaapwandelaar door het bos. Hij had haast, er was ineens geen tijd meer te verliezen. Daardoor struikelde hij. Hij viel languit op het pad, met zijn arm in een vreemde bocht. De pijn zoog hem abrupt naar de wereld, de duisternis in zijn hoofd werd overstemd door de blikseminslag van zijn kapotte elleboog. In zijn hoofd zag hij sterretjes aan en uit gaan, maar vervelend was het niet. Vanuit het diepe water kwam hij weer boven en haalde gulzig adem.

Hij wentelde zich in het licht, rolde door het zand. Voorzichtig zong hij een liedje.

De stroom van klanken ging daarna maar door. Alle grote woorden kwamen voorbij, het was machtig mooi. Hij dacht aan alle dingen die hij de laatste week had gezien en gaf daar letters aan. Hij herkende zijn verlangen om weer mensen te zien en handen vast te houden. De nacht moest nog beginnen.

© Inge Pollet, 2018