Dwaalkamer

In 2013-14 maakte ik een serie tentoonstellingen bij Plaatsmaken onder de titel Dwaalkamer. De presentaties gingen langzaam in elkaar over. Er deden veel kunstenaars aan mee, die allemaal een heel precieze plek kregen binnen het project. Deze teksten vormden het uitgangspunt van waaruit ik werkte. De gedachte van ronddwalen in je eigen hoofd en daar allerlei kamers in tegenkomen vind ik eindeloos fascinerend.

 

Dwaal·ka·mer (de,v(m); meervoud: dwaalkamers)

  1. Denkbeeldige deelruimte in het hoofd (de bovenkamer)
  2. Beeldspraak om ruimte aan te duiden waar men zijn gedachten ordent, in meervoud te beschouwen als een denkbeeldig gebouw of eventueel stuk natuur
  3. Natuurlijke besloten ruimte: de dwaalkamer van het geheugen.

Zie ook: http://pinterest.com/ingepollet/dwaalkamer/

Kamer 1: Gedachte. Sinds ik aan de bosrand woon ben ik anders over het denken gaan denken. Ik ben begonnen met het bos als metafoor te gaan zien voor veel dingen, waaronder gedachten. Het bos als verzamelplaats, met opschietende bomen als ijkpunten in een willekeurige geschiedenis. Een groot voordeel van het bos waaraan ik woon, is dat het eindeloos doorloopt in andere bossen. Alsof je steeds een andere kamer van je denkvermogen binnen gaat. Je kunt er dagen, weken, maanden in ronddwalen en zo steeds in een ander verhaal terecht komen. Het bos als dwaalplek. Een plek die geen eenduidige plek is, maar een heleboel plekken tegelijk. Die van niemand is, maar toch de vorm aanneemt van jouw gedachten wanneer je er rondzwerft. De bomen buigen zich soms vertrouwelijk naar je toe, een andere keer hangen ze luidruchtig over het pad, één en al verrotting. Het mos dat als schijnbaar zacht bed over de bosvloer ligt uitgespreid, maar tevens thuis is voor krioelende beestjes.

 

Kamer 2. Herinnering. ‘Hier is niemand. Een gure wind waait over de velden. Zware Vlaamse wolken drijven over. De zomer verlaat de tuin.’ (uit: Thierry de Cordier, brief aan H. 1992).

 

Kamer 3. Beleving. Af en toe ben je als kijker getuige van een blik in zo’n kamer, wanneer de deur even op een kier staat. Kamers met verzamelingen, kamers met donkere luchten, uitgestorven kamers, kamers met een raam. Kamers met een specifieke geur, met schimmelende muren, met verpletterend uitzicht. Kamers met morbide momenten en heimelijke fantasieën. Kamers om te schuilen.

Kamers van Wouter Venema. Zijn beelden hebben een sterk karakter, en je kunt ze niet direct plaatsen. Toch weet ik intuïtief waar ik ze moet neerleggen, namelijk op dat bostapijt van mos. Hebben we niet allemaal kamers in onze gedachten waar hele of halve beelden liggen opgeslagen, die zich te pas en vaak ook te onpas opdringen naar de oppervlakte?

 

Kamer 4. Gedachten, in soorten bos gesorteerd. De beeldschone, oernatuur waar Erik Odijk zijn kijkers in onderdompelt staat in schril contrast met de tekeningen van Geer van der Klugt. Daar lijkt zich een ware veldslag af te hebben gespeeld. De bomen hebben het maar net overleefd en zullen nog jaren de sporen dragen van de strijd die zich hier heeft afgespeeld. Niks geen fijn bos, hier is het leven keihard verbrand/ opgegaan/ overwoekerd. En we moeten maar zien of het sterk genoeg is voor de volgende ronde die de natuur in petto heeft. Aan de andere kant van het spectrum: de blauwe bossen van Kinke Kooi zijn magische plekken, waar een diepe verbondenheid tussen de wezens voelbaar is. Als je je ogen dicht doet en heel goed luistert, hoor je de bomen fluisteren over grote gebeurtenissen.

Geer van der Klugt, zonder titel, 2012

 

Kamer 5. Tentoonstellingskamer. Rinke Nijburg is overtuigd van het nut de dingen in hokjes/ kamers te plaatsen, teneinde alles makkelijk weer terug te kunnen vinden. Hij ziet het als een evolutionaire verworvenheid van de mens. Kamers om te begrijpen, om te overleven. Toch zou hij liever de kosmos (en zichzelf) als één geheel zien, omdat er in de werkelijkheid meer samenhang is dan in iemands particuliere geest. In zijn werk vormen taal en beeld mede om die reden één geheel. Toch hebben de kamers van Nijburg vaak iets angstaanjagends. Het bovennatuurlijke (en/of religieuze) is nooit ver weg, nachtmerries en kans op billenkoek evenmin.

Rinke Nijburg, Hoppe Hoppe, 2012

Kamer 6. Gedachte. (de wens voor een panoramavenster, en dan zo uitgebreid naar binnen loeren, kunnen blíjven kijken)De wens te vergeten. Vergeten te worden, wegkruipen in een boomholte. Naar het binnenste. Het nest van de bosuil, ergens tegenover ons huis.

Nu de deur weer dicht doen.

 

Dämmerung der Innenwelt

Kamer 7. Een korte geschiedenis van de melancholie, en hoe die met kunst in verband werd gebracht

Melancholie (melana cholê) betekent letterlijk zwarte gal. In de Griekse oudheid was men er van overtuigd dat triestigheid werd veroorzaakt door een teveel aan zwarte gal. Van de vier constitutionele lichaamssappen (gele gal, slijm, bloed en zwarte gal) die in de juiste mengverhouding verantwoordelijk zouden zijn voor de algehele gezondheid is zwarte gal de enige die niet echt bestaat. Reeds toen al sprak het hele idee kennelijk zo tot de verbeelding, dat niemand er een punt van maakte.

De geschiedenis van de melancholie kent veel hoofdstukken. Er is veel geschreven over hoe men melancholie zou kunnen bestrijden . Vooral geen wijn drinken en veel naar muziek luisteren. Ook speciale planetenzegels om de werking van Saturnus af te weren zouden helpen, en het gebruik van een klisteerspuit zou eveneens verlichting bieden. Over hoe de melancholie zich manifesteert in persoonlijkheden is veel geschreven . Van een hele rij kenmerken waaraan je de melancholicus zou kunnen herkennen, zijn ‘dingen willen meten en tellen’, ‘een diepe contemplatieve en filosofische gemoedstoestand’, interesse voor alchemie of astronomie en een slechte spijsvertering, een willekeurige greep. Saturnus is van oudsher de planeet, de grootste, verste en zwaarste bovendien, die met de melancholie in verband wordt gebracht.

Aristoteles bracht de melancholie voor het eerst in verband met kunstenaars in zijn werk Problema. Hij schreef dat alle uitzonderlijke mannen melancholisch zijn, en gaf daarbij wat voorwaarden. Met de in de kunstgeschiedenis uitvoerig besproken verwijzingen naar melancholische gemoedstoestand zoals slapende honden, meet- en weeginstrumenten, vochtige elementen zoals de zee, grote, onverplaatsbare brokken steen, magische getallenkwadraten en klisteerspuiten hebben wij een bescheiden handvat om vanuit dit perspectief naar beeldende kunst te kijken. Het perspectief van de melancholie verspreidt zich immers als een taaie, stroperige vloeistof, die soms op onverwachte plekken opduikt en overal irritant blijft plakken.

 

De gang waar ik loop kent veel uitzichten. Er zijn verschillende vensters op de buitenwereld, maar toch loop ik steeds maar binnen. Het is er veilig en benauwd. De ramen veranderen moeiteloos van vorm al naar gelang mijn gedachten ze sturen. Ze worden bijvoorbeeld rond wanneer ik een uitzicht met een zwevend eiland met daarop een landschap wens, naar de tekening van Aline Eras. Hoe mooi het ook is; ik ben hier en dat frisse groen is daar. De ramen in de gang zijn zowel mijn uitzicht als de bevestiging van de onvermijdelijke afstand tussen binnen en buiten. Dit voelt als een metafoor voor het verschil tussen mijn gedachten en de realiteit.

 

Kamer 8. Denklandschap. Gedachte met een scherp raam.

De bovenkamer van Aline Eras wordt bewoond door kleine volkjes van gedroogde insecten. In potten zitten overblijfselen van een muis (ze vroeg zich af hoe het beestje eruit zou zien als ze zijn haren eruit zou trekken?). Ze vlocht met stro en plakte takjes op een steen alsof het bomen op een eiland waren. Vervolgens werden ze hoopvol gedoopt in een zwart bad van inkt, net zolang tot het stolde tot een moeras van vergetelheid. Ze tekent graag precies, Aline, en doet daar alles aan. In één van de landschappen staat een kleine nagebouwde kamer met een raampje erin, op precies de juiste hoogte. Zo kan ze bepalen hoe de schaduw in haar tekening gaat vallen, zó op het mos, en niet anders.

Kamer 9. Kort over de Innenwelt van Mirjam Kuitenbrouwer

Er is een kamer die zo oogverblindend wit is dat mijn hersens pijn doen. Voor mijn ogen dansen vlekken in een kaleidoscopische formatie, en ik kan ze niet vangen, noch negeren. Er staan een aantal beelden opgesteld waarin ramen de hoofdrol spelen. Ze zijn heel precies afgemeten. Ze hebben zicht op buiten, binnen, op elkaar. Je kunt zelf de juiste afstand bepalen tot de wereld, tot het daar. Het zijn werken van Mirjam Kuitenbrouwer. Ze maakt zorgvuldig samengestelde, denkbeeldige huizen, kamers en gebouwen waarin je gedachten zouden kunnen wonen. Ze staan op hoge pootjes of moeten aan de muur worden bevestigd. De grootte en daarmee de beschikbare ruimte varieert. Je kunt zomaar draaien aan een wiel met verschillende ramen en aldus het uitzicht bepalen voor hoe je naar de wereld kijkt. Kuitenbrouwer is erg bezig met ‘binnen en buiten’. Ze schrijft en denkt, en trekt parallellen. Ze meet en rekent, bepaalt en vertelt. De schrijver Peter Handke is een inspiratiebron. De titel van zijn boek Die Innenwelt der Außenwelt der Innenwelt heeft ze direct gebruikt als titel voor één van haar beelden.

Ze zegt :‘Op de een of andere manier gebeurt het vaak dat ik in een natuurkundige omschrijving iets lees dat net zo goed een omschrijving van een psychologische toestand zou kunnen zijn. In dit geval het ‘inwendig effect’. Ze refereert aan een uitspraak van dr J.F.H. Custers (medewerker aan het Natuurkundig Laboratorium der N.V. Philips’ Gloeilampenfabrieken) uit zijn boek Optica, uit 1936 “Lange tijd kon men het inwendige effect niet begrijpen, omdat het bijna altijd vertroebeld wordt door effecten, die er het gevolg van zijn en welke het primaire effect geheel overschaduwen.”

 

Aan het eind van de gang is een kamer waarin een elektrisch geluid klinkt. Het zijn TL lampen die aan- en uitgaan. Er valt slechts af en toe nog wat licht door de kier van de deur. In de schemering die zich opdringt komen beelden naar voren en zachte stemmen die reppen over deuren en de wens te vertrekken.

Kamer 13 . Marc Bijl en de definitieve dämmerung

Het pentagoon van Marc Bijl is afkomstig van de oude Grieken . Het is een perfecte vijfhoek, net zoals het pentagram dat is, de vorm die de kunstenaar nog vaker in zijn werk gebruikt. Beide lijken bezweringen van de chaos te zijn. De chaos die de kunstenaar overigens zelf creëert met onder meer spuitbussen, kleverige zwarte substanties op min of meer alledaagse dingen als tuinbeelden en schemerlampen . Daarna plaatst hij de elementen waarmee hij zijn verhaal vertelt in een opstelling die zowel mysterieus, dramatisch als glashelder is. Duisterder dan dit wordt het niet meer. In deze kamer zijn twee zwarte deuren met daarop ‘Poison door’. Ik durf er niet naar binnen. Daarachter dansen de mensen op een brandende vloer.

Installatie Marc Bijl bij Plaatsmaken, 2014

Kamer 14. Het wiegen van het bos, naar Geer van der Klugt en Nathalie Duivenvoorden

Als het stof is opgetrokken rest een in eerste instantie troosteloos uitzicht. Dit landschap is beschadigd, uitgewrongen, klaar. Her en der liggen takken waarover je lelijk kunt vallen. Plassen waarin je kunt wegzakken. Geen vogel fluit nog hier in dit rampgebied. Aan de linkerkant wordt een heel stuk bos afgesloten door een ondoordringbare kluwen takken en resten. Troost zou hier op zijn plaats zijn. Een glittertje van het een of ander. Het is een benauwde wandeling door dit niemandsland. Het denken wordt vervangen door overleven. Langzaam. Trage stroop. Pas na een hele tijd worden de gedachten blauwer. Tussen de bomen doemen nu gedaanten op. Het is een zoemend, collectief gebeuren, met herinneringen en angsten die niet meer van toepassing zijn. Donkergroen met een bruine rand.

‘Het geluid van het ademen van de paarden, van het geklos van hun hoeven, en zelfs van de weinige woorden die de mannen wisselden, werd opgenomen door de stilte van het bos, zodat alle geluiden gedempt, verzwakt en vredig klonken, het ene geluid net zozeer als het andere, of het nu het snuiven van een paard was of een gesproken woord. Alles werd teruggebracht tot een zacht bonzen, dat niet van henzelf leek te komen, maar uit het bos, alsof daarbinnen een reusachtig hart klopte, dat door iedereen gehoord kon worden.’(uit: Butchers Crossing, John Williams, 1960. Ned. vertaling 2013)

Stroken licht worden voorzichtig tussen de bomen zichtbaar. De bladeren wenden zich naar boven. In het licht dansen de stofdeeltjes hun trage, gelukzalige dans. De bovenste toppen van de naaldbomen kleuren intens blauw. Het natte landschap verdampt in een nevelige laag het laatste vocht. In de verte klinkt het gescharrel van zwijnen.

Geer van der Klugt, Catch, 2010

 

Kamer 15. Push the sky away

I was right
I was right
Oh, the sun, the sun
The sun is rising from the field

I’ve got a feeling
I just can’t shake
I’ve got a feeling
That just won’t go away

You’ve got to just
Keep on pushing
Keep on pushing
Push the sky away

(Nick Cave, 2012)

Dat er geen ramen meer zijn is niet zo erg. Het voelt alsof er een verlichting komt.

 

Kamer 15-1 Een troostende holte / Kinke Kooi

Alles geeft licht. In alle lijnen en vlekken zwelt van binnenuit een kleur aan. Ben ik nog hier? Ik zweef. Alles zweeft. Je hoofd in haar schoot willen leggen. En dat ze je dan over je hoofd aait, en dat je hoofdpijn dan weggaat. Zachte, ronde woorden, en een groene hedera die langs je been omhoog groeit. Met aan het uiteinde knalroze bloemen. Zo fijn het is om opgenomen te worden in een verstikkende warmte. Met mijn vingers ga ik langs wollige, maar toch stevige schillen. Ik voel mij een tevreden peulvruchtje in dit wonderbaarlijk zacht en troostend huis.

Deelnemers tentoonstelling: Wouter Venema, Aline Eras, Marc Bijl, Mirjam Kuitenbrouwer, Erik Odijk, Geer van der Klugt, Nathalie Duivenvoorden, Markus Putze, Kinke Kooi

© Inge Pollet, 2014

© foto’s de kunstenaars