Eén van de eerste teksten

Deze tekst schreef ik in december 1999. Ik was pas van de academie en net begonnen met freelance te schrijven over kunst. Tussen de regels door is een mooi tijdsbeeld van de beeldende kunst van Arnhem anno 1999 te ontdekken: de ‘schuur’ buiten de stad was de onvolprezen kunstenclave Koningsweg, de kunstenaar op het podium die over de zakelijke kant van het kunstenaarschap vertelde was een piepjonge Marc Bijl. Het ‘hotel’  was Hotel Bosch, jarenlang de favoriete uitgaansplek na middernacht. Het stuk werd gepubliceerd in Het Blad, het tijdschrift van Gemeenschap Beeldende Kunstenaars, januari 2000. 

Ik ben kunstenaar. Mijn vader zegt ‘kunstenmaker’, als ik in het bos een kasteel bouw voor mijn kippen. Mijn vader moet soms lachen om de dingen die ik doe. Ik ben nu in het vliegtuig naar Hong Kong. Daar kan mijn vader helemaal niet om lachen. ‘Jullie met je kunsten altijd’, heet het dan. Ik ga mijn vriendje opzoeken in Macau. Hij is ook kunstenaar. Hij mag vier maanden wonen en werken in Macau op kosten van een organisatie die jonge Europese kunstenaars wil helpen zich te profileren in het buitenland. Ze hebben hem gekozen uit veel mensen. Zo gaat dat in de kunst. Ik weet niet wat ik nu zou doen als ik geen kunstenaar was. Het is leuk om kunstenaar te zijn. Ik had ook wel dierenarts willen worden, maar ik ben slecht in wiskunde. En als kunstenaar mag je soms reisjes maken, dat wil je toch niet missen!

Boven Rusland bedenk ik dat ik best een leuk leven heb. Vorige week nog was ik op een bijeenkomst in een soort schuur ver van de stad. Er was een enorme open haard en er waren veel kunstenaars. Er was er een bij die een verhaal vertelde op een podium. Hij vindt dat je als kunstenaar de samenleving een plezier kan doen met je kunsten. Je kunt geld vragen voor je diensten. Zo zakelijk had ik het nog niet bekeken. Ik dacht erover na. Het is tegenwoordig moeilijk om rond te komen als kunstenaar. De kunstenaars die ik ken worden inventiever als het gaat over verwerven van inkomen. Het maakt ze niet uit om een dag of twee iets heel anders te doen voor geld. Ik denk dat deze manier van denken zich voortzet. Het is tenslotte niet niks om je verhaal op een podium te vertellen in een zaal vol kunstenaars, daar mag best iets tegenover staan. Ik vind het goed om je eigen geld te verdienen. Ik schrijf stukjes voor tijdschriften.

De kunstenaars die de bijeenkomst hadden bedacht, hadden hapjes gemaakt. Ik ben dol op hapjes. Ik ben dol op openingen met hapjes. Beetje eten en kletsen met collega’s. dat is nog een van de aardige dingen van het vak, vind ik. Uit je atelier komen en feestvieren.

net van de academie, december 1999

Het werd, al met al, een leuke avond. Roodgloeiend van het vuur keek ik nog naar een klein toneelstukje. Toen dat klaar was ging ik dansen in de stad. Weer andere kunstenaars hadden een dansavond georganiseerd. Er was goede muziek en de wijn was uitstekend. Ik wilde niet meer naar huis, dat is meestal een goed teken. Het was daar leuk. Die kunstenaars hebben het mooi voor elkaar. Ze wonen in een hotel en dat mogen ze blijven doen. Het hotel wordt anders niet gebruikt. Kunstenaars kunnen soms zoveel geluk hebben met de dingen. Als ze een atelier nodig hebben gaan ze dat gewoon kraken en dan mogen ze nog blijven ook. Tegen de ochtend ging ik naar huis. Mijn kippen waren al wakker en de poes liep gezellig te gillen op de zondagochtend. Ik had een tevreden gevoel, een beetje zoals nu.

De Chinezen naast mij zitten te kaarten en slurpen wijn. Op televisie is een film met Chinese ondertiteling. Iedereen loopt op sokken. De stewardess houdt maar niet op met glimlachen. Ze heet Caroline. Ik word niet goed van haar. Ik ben blij dat ik kunstenaar ben en geen stewardess. Haar lippenstift zit nog precies even strak als twaalf uur geleden.

Ik kom aan op het vliegveld. Het vliegveld heet Chek Lap Kok. Dat is een grappige naam, alsof ik echt heel ver weg ben. Het is hier snoeiheet. De mannetjes in uniform lachen mij uit omdat ik veel te veel kleren aan heb. Als ik denk een elegante entree te maken, vallen tot drie keer toe mijn tassen van het karretje. Mijn vriendje moet lachen. Hij is wel wat gewend. Hij neemt me mee naar zijn huis. Hij heeft geluk, hij woont in een huis op de rotsen, met uitzicht op de zuid- Chinese zee. Ik heb ook geluk, dat ik hier op bezoek mag komen. Ik val een beetje uit de toon. Ik ben twee keer zo groot als de lokale vrouwen. Mijn voeten zijn zes keer zo groot.

De volgende dag gaan we naar de academie waar mijn vriendje werkt. Er staan honderd computers, waarvan er drie gebruikt worden. Kunst is hier een heel ander verhaal. De studenten hebben nog nooit van het modernisme gehoord, of van het surrealisme. Ze willen het ook niet weten. Het lijkt me ingewikkeld om hier kunstenaar te zijn. Ik ga een boek maken hier, samen met mijn vriendje. Het is een duidelijk plan, wat niemand in deze academie echt begrijpt. Dat hoeft ook niet. Als het klaar is gaan we naar huis.

© Inge Pollet, 1999