Aline Eras

Het volgende fictieve verhaal schreef ik in opdracht van Museum Arnhem bij de Biënnale Gelderland 2016. Het werd gepubliceerd in de catalogus.

Het magische tabernakel

Hij stond ineens voor mijn deur, zei de Verzamelaar tegen de Kunstenaar. Diep in de binnenstad blafte een verongelijkte hond. Het was een warme dag, met weinig wind. Rolluiken van panden in de straat waren gesloten, maar de winkel van de Verzamelaar was open. In de etalage draaide een opgezette steenmarter rondjes op een schijf. Op de werkbanken lagen gereedschappen netjes naast elkaar, er dwarrelden wat stofdeeltjes goud in de zon. Het rook er voorspelbaar naar oude spullen. De Verzamelaar keek peinzend naar het reusachtige ding, afgebladderde verf en onderin een luikje met een sleutelgat. Er stond een vreemd dier op, met een kruis in zijn bek. Drie losse stukken, waarvan twee met knap houtsnijwerk stonden er scheef naast. Het derde stuk was niet compleet, twee derde deel was afgebroken. Wat een raar beest, zei de Kunstenaar. Het lijkt wel een gordeldier. Ze keken er een tijdje naar, en toen zei de Verzamelaar dat het het Lam Gods was. Hij gaf toe dat hij wel eens mooiere varianten had gezien. Uit zijn blik tabak plukte hij de hoeveelheid voor een sigaret. Daarna sjouwden ze het tabernakel naar binnen, waar het aardig in de weg stond in de lange smalle ruimte.

De Kunstenaar zat die middag aan tafel in zijn atelier. Hij dacht aan de opgezette snoek in de winkel van de Verzamelaar. Hoe kon zo’n vissenvel de tijd doorstaan? Was het vel van een vis net zo te behandelen als leer? Hij wilde dat hij het wist. In de enorme apothekerskast die één volledige wand van de studio besloeg stonden honderden glazen potjes met daarin een heel universum aan insecten, mossen, schelpen, restanten van onduidelijke aard, stenen en verschillende kleuren zand. De Kunstenaar bracht al deze dingen mee van zijn dwaaltochten door de bossen en langs het water. Hij ging volgens een vaststaand procedé te werk: bij thuiskomst haalde hij al zijn schatten tevoorschijn en legde ze op tafel. Alles werd uitvoerig bekeken, en waar nodig maakte de Kunstenaar aantekeningen. Ook kwam het voor dat iets direct om een schets vroeg, dat was bijvoorbeeld het geval wanneer er duidelijk een stuk ontbrak aan een schelp. Daarna rangschikte hij alles naar vorm, kleur en gedachte en stopte het in potjes. De potten hadden geen vaste volgorde in de kast, regelmatig werden ze op een andere plek neergezet, al naar gelang de seizoenen of het werk waar de Kunstenaar mee bezig was. De kast was nu bijna vol, en er moest worden nagedacht over wat te doen wanneer het zover was.

Aline Eras

Via een wederzijdse kennis had de Kunstenaar de Verzamelaar ontmoet. Hoewel de Kunstenaar eigenlijk niet van mensen hield, kwam hij graag bij de Verzamelaar. Niet om veel te praten, maar om er te zijn en te kijken naar de kalme werkzaamheden waarmee de Verzamelaar zijn dagen vulde. Er was altijd wel wat houtsnijwerk te doen, en dat gebeurde terwijl de Kunstenaar toekeek en zijn gedachten de vrije loop liet. Hij was er niet echt, hij liep niet in de weg, hij was er in een ander universum dan dat van de potten en de tekeningen. Op een merkwaardige manier kon de Kunstenaar hier juist goed afstand nemen van de soms benauwde werkelijkheid die voor hem niet aanvoelde als de realiteit. In deze tweede dimensie, in de werkplaats van de Verzamelaar, voelde de Kunstenaar zich het best: de dagelijkse dingen gleden langs hem af en het was alsof hij op een prettige manier door zijn eigen gedachten verdoofd de wereld aanschouwde.

De Verzamelaar ondertussen werkte aan een groep opvliegende eenden. De vleugels dramatisch en de koppen vreemd gebogen. Hoewel het er niet erg geloofwaardig uitzag, was zo’n groot stilleven van gestufte dood voor veel mensen aantrekkelijk. Eens hij zo’n beeld afgerond had, stond het zelden langer dan één week in de winkel. De Verzamelaar was goed in wat hij deed. Het tabernakel had hij een stuk opgeschoven. Hij moest er over nadenken. Zo te zien was het een altaarstuk uit de Rococo tijd, wit met gouden verf restte nog in kleine scherven op het hout. De schele vogel die boven de deur van de werkplaats stond loerde naast hem. De kleine krokodil lag roerloos op de schoorsteenmantel van de haard. Het skelet dat hij uit een biologielokaal had gehaald huiverde, er waaide een kleine wind. Ergens in een nis lag een heiligenhoofdje te slapen. In deze gestolde tijd was de Verzamelaar superieur, hij was de enige die ademde, en de enige die bepaalde wat er met de spullen gebeurde.

Hij rookte een sigaret, en nog één.

Als een ongenode gast vol littekens stond het tabernakel nu in de hoek van het winkeltje. Er hing een aura van geschiedenis omheen. Herstellen zou een volle maand werk betekenen voor de Verzamelaar. Ontbrekend houtsnijwerk maken, lijmen, schilderen. En hoewel dit soort klussen tot de mooiste in zijn vakgebied hoorden, zag hij er toch tegenop. Het tabernakel leek zich nu al te verzetten.

De dag ging uiteindelijk over in schemer. En daarna in een koele nacht. De Kunstenaar was rusteloos. Hij had gewerkt aan een grote tekening waarop een rariteitenkabinet te zien was, een vreemde verzameling plantenresten die gelijksoortige bladeren hadden. Het wilde niet erg vlotten. Nadat hij een tijdje had zitten staren naar het diepzwarte firmament besloot hij tot een nachtwandeling.

Zijn voeten brachten hem langs de oude beek, die in dit deel van de stad nog altijd lustig stroomde. Af en toe bleef hij stil staan om naar het water te luisteren. Er vlogen nachtvogels over zijn hoofd. Het pad kende hij feilloos. Hij zou met zijn ogen dicht kunnen tekenen waar de knopen van boomwortels uit het pad staken, waar mensen hun rotzooi achterlieten. Maar voor wie zou hij dat doen? Hij voelde zich zeer zinloos. De school die hij passeerde had grote ramen als open vragen. Het was een dubbele werkelijkheid; de nacht werd weerkaatst in het glas en omgekeerd absorbeerde het duister de ramen. In de straten daarna was het bijna stil. Het silhouet van een vrouw in een bovenkamer. Midden op de stoep stond een auto geparkeerd. Onder het viaduct bij het station ging het licht aan en uit. De nacht blies een zakje langs hem heen.

Ongemerkt liep hij de straat in waar de winkel van de Verzamelaar was. In zijn hoofd zong een klein dwingend lied. Iets maakte dat hij langzamer ging lopen. De eerste keer dat hij passeerde keek hij niet naar binnen. Hoe idioot was het eigenlijk om hier te zijn op dit tijdstip? Hij liep de straat uit, maar ging toch weer terug. Nu bleef hij staan. De steenmarter bewoog niet langer. In de verste hoek stond het tabernakel. Hij keek nog eens. Het tabernakel gloeide. Ja, het gaf een blauw licht. Een zacht pulserend, elektrisch licht. De Kunstenaar zuchtte tevreden. Nu waren de dingen toch anders geworden.

 

© Inge Pollet, 2016