Erik Odijk

Ter gelegenheid van de tentoonstelling Wild Kijken bij Plaatsmaken in 2010 ging ik naar Amsterdam om daar met Erik Odijk te praten over zijn werk.

 

Het romantische misverstand rondom Erik Odijk

Het is waar: de tekeningen van Erik Odijk ademen een romantisch verlangen naar de natuur. Naar opgaan in dichte bossen, naar metaforische open plekken waar je weer even de ruimte in je eigen hoofd kunt ervaren. Odijk reist regelmatig naar afgelegen plekken om te fotograferen in de wildernis, maar gaat daarbij lang niet altijd af van de paden die er al zijn. Die zijn vaak al mooi genoeg. De periodes dat hij thuis is, waar de eigenlijke wandelingen pas beginnen, zijn net zo belangrijk. Daar gebeurt het bekijken van eventuele lege plekken in de bezochte bossen. Daar groeien de takken dicht opeen, en stekelen ze degene die er doorheen durft te wandelen. Odijk heeft gemerkt dat veel mensen denken dat hij een groot deel van het jaar met een rugzak om in de rimboe loopt en ’s avonds onder een boom slaapt. Daar haalt hij zijn schouders over op, maar soms gaat het wel vervelen. “Het zou eens over het werk moeten gaan. En het mag wel iets kleiner worden, iets genuanceerder. Het is een misverstand dat ik vaker in de wildernis ben dan thuis. Het is juist een belangrijk contrast; in werkelijkheid reizen versus het herbeleven van mijn wandelingen in de beslotenheid van mijn atelier. De natuur is voor mij van essentieel belang, ik hecht veel waarde aan ideevorming over hoe we met zijn allen de natuur zouden moeten behandelen. Daar denk ik over na. De bossen en de bergen zijn in feite een spiegel van onszelf. Ik ben als kunstenaar en als mens altijd dienstbaar aan het onderwerp, ik heb het graag over de natuur en wat daar vandaag de dag van over is. Of over de natuur in Nederland, hoe we daar mee omgaan. Maar het zou wel goed zijn als mensen eens bij zichzelf nagaan wat dat dan is, wat ze aanspreekt in mijn werk. Is het een verloren oergevoel? Een vrijheidsdrang? Dat hoeft niet steeds aan mijn werk te worden opgehangen. Dat gaat over de kijker zelf. Ik zie wel dat mensen anders naar de natuur kijken naar aanleiding van mijn tekeningen. Ik stuur daar denk ik ook wel in door mijn manier van werken, zo’n grote tekening kan behoorlijk overweldigend zijn. Toch is het geen pure representatie van alles wat ik daar op dat moment zag. Ik kies met mijn camera van tevoren een kader van waaruit ik werk. Dat kader is al een bewuste keuze, voorafgaand aan de komende tekening.’

Erik Odijk, Traumtanz, 2008

In het atelier in Amsterdam worden de foto’s uitgewerkt. Die foto’s zijn opvallend milder van contrast dan de tekeningen die er uit ontstaan. Odijk werkt schematisch, met hokjes en uitvergroten. De verdichting ligt altijd op de loer. Overal zijn kleine takjes, blaadjes, schaduwen. De doorwerktheid is belangrijk, daar zit de aandacht die Odijk wil overbrengen. Die komt er vanzelf, ondanks de van tevoren uitgedachte hokjes. De tekening gaat leven, vertelt zijn eigen bomen en ruisende humuslaag. De reproducties van de natuur die de kunstenaar bezocht zijn in kleur en contrast heftiger dan hoe het in werkelijkheid was. Odijk laat dramatiek toe, maar altijd in functie van het beeld. Je gaat er anders naar kijken, je ziet bijvoorbeeld een boom in heel ander perspectief als hij de enige is in het bos die kleur heeft gekregen. Wat een rare bovenkant heeft hij eigenlijk, en wat een barsten in de schors. Een bosbeekje kent giftig groene oevers en een haast agressief woekerend mos lijkt door te gaan op de muur waarop de tekening hangt. Een detail dat in werkelijkheid een beetje rood moet zijn geweest, spuwt vuur. Het is de natuur van de kunstenaar zelf geworden, die na thuiskomst is ingedaald en via de tekeningen weer naar buiten wordt gebracht.

De serie kleine tekeningen die Erik Odijk bij Plaatsmaken laat zien is een reeks waarin het – niet te winnen- gevecht tegen de verdichting goed te zien is. Heel optimistisch begon Odijk te tekenen, om er gaandeweg de serie achter te komen dat het gewoon niet lukt met die open plekken. De tekeningen worden steeds begroeider, steeds ondoordringbaarder. Er is teveel te zien, te ruiken, te herinneren. En dan nog erbij: de natuur woekert altijd door.

 

© Inge Pollet, 2010

© foto Erik Odijk