Wouter Venema, A Voice from the fireplace

De volgende tekst schreef ik naar aanleiding van de tentoonstelling ‘A Voice from the fireplace’ van Wouter Venema bij Plaatsmaken. Mei 2019.

Nu we het werk van Wouter weer in ons midden hebben dacht ik aan alle eerdere keren dat ik zijn werk heb getoond, inmiddels een keer of zeven, op verschillende plekken, in de afgelopen 12 jaar. Dit is een reis door de tijd en door mijn gedachten over het werk.

Ik herinner me een verbolgen dikke man die alsmaar op een bed probeerde te blijven. Zijn adem blijft steeds angstaanjagend steken. Hij komt lucht en tijd tekort. Een interactieve installatie waarin je kon kiezen op welke plek je wilde zijn in de zogenaamde ‘al-tijd’. Via coördinaten kon je verdwalen. Er was een tuinhuis waarin iemand vastplakte aan zijn eigen vliegenvanger. Een koortsachtige man met los haar, die middels de ventilator de bacillen verspreidde waarvoor hij in het ziekenhuis lag. Wapperend, eenzaam, viezig. Waait bijna weg ook. Op een andere plek gaat de kunstenaar voor zijn piano zitten, een man in een kantoor ruikt aan zijn eigen schoenen, en vanuit een monitor schreeuwt iemand met wilde vuisten. Nergens leidt dit tot enige vorm van anticipatie. En dan: spektakel! Een zwartverbrande keuken kan nog meer vuur gebruiken, de dader haalt zijn armen uit de vriezer en ontsteekt een nieuwe vlam. Zaait roet en verderf, alles gedachteloos. Een wetenschapper is getuige van rondvliegende atomen in zijn kantoor die als kleine ruimteschepen zweven en volkomen geaccepteerd zijn. In het water zoekt de landmeter zijn instrument. Dit alles in een zweem van daglicht, met een grijsgroene sfeer en neiging tot nadenken over het waarom.

Al deze dingen gebeuren tegelijkertijd, in verschillende dimensies van het bewustzijn, overal en je kunt niet hier en daar zijn.

Later zijn er tekeningen, veel tekeningen, in zwart en duister van aard. Er zijn jongemannen met touwtjes en een vulkaan die enorm rookt en spuugt, die zich daar tegen verzet. In een huis hier ver vandaan cirkelt een zoon door de kamers die om zijn vader heen zijn. Zijn vader is de planeet, degene om wie alles draait. In een bad denk je dat hij zich zal verdrinken, want ook het geluid doet mee. Het licht is blauw en onaards en ergens ben je blij dat jij daar niet bent, hoewel het zeker iets aantrekkelijks heeft om in deze tussentijd te zijn.

Want als je daar bent kun je niet hier zijn, en ook niet aan de andere kant.

De infecties rukken op. De huid vertoont bobbels, cellen linken griezelig aan elkaar, en hoewel in kleur, is dit misschien nog wel het meest duistere scenario dat Wouter ooit bedacht. Dat we elkaar allemaal infecteren, en niet alleen met ziektes op de huid, maar ook binnenin en in het hart. We infecteren met bloed, met liefde, met dood. De huid als twijfelachtig membraan. De drang om alle lagen tegelijk te laten zien, de huid, het vlees, de aderen, de structuur van de cellen. De wens te doorgronden, te bevatten, onder controle te hebben.

Wouter Venema, glas en papier, 2019

In een boekje dat ik van een atelierbezoek in 2013 meebracht vind ik dezelfde hand als hier. Het is een doolhof. Zoekend opgaan in de omgeving, de wens overal tegelijkertijd te zijn, in meerdere tijdsgewrichten ook. Hij springt van een rots, ziet zichzelf honderd keer in het spiegelpaleis, droomt dat hij op verschillende plekken tegelijk is. Scherven en zwart. Hand en rots. Tussen de dennenbomen staat hij, en zijn lange haar is van naalden gemaakt. Verderop een berkenbos, wit is het er, en licht, maar het leven drukt zwaar op schouders als de figuur gelaten het bos inloopt, beetje voorovergebogen. Op de landkaart is zwart wat hier wit is. De lucht zuigt en dromt samen in een poging tot finale. Tot slot is er een groot niets en het besef dat hij iedere dag wakker wordt als een ander persoon, stukjes geheugen uitgewist. Iedere dag zet hij een stapje naast zijn vorige zelf, begint weer opnieuw. Hij is een nooit eindigende herhaling van zichzelf. Hij vervelt, stapt uit, hardt uit, gaat verder in een voortdurende cyclus waar ook hij niet om heeft gevraagd. Net zo min als wij.

Daarna waren er werken met huid, cobra’s die met vijven of zessen tegelijk de sluitertijd letterlijk verkenden, en daarmee de tijd. Infecties in alle soorten, een koortsige zoektocht soms naar een plek om door te ademen, dwars door alle virussen heen. Stropers en nietszeggende uiterlijkheden die lang niet altijd konden worden ontweken.

Wouter Venema, Our bodies are open, zeefdruk, 2019

Vandaag brandt de haard. De zwarte mond is een gapend gat dat verontrust en geheimzinnige kratertjes kent, met tanden voor wie het wil zien. Hier is het punt waarop de buitenwereld naar binnen komt, hier komen de geesten samen die de sfeer bepalen op de brandmuren die geschiedenis geworden zijn, die vroeger weer naar hier brengen, die eerder en nu samenvoegen. En het weer. De hoofdpersoon is vertrokken, her en der liggen replica’s van zijn blauwe hart. Hij is royaal in het delen van zijn gedachten. De wens beschermd te zijn tegen het onvoorspelbare is nog lang niet gehonoreerd. Op de tegels worden de angsten verbeeld, de duivels, de planten die het hart laten stoppen, de patronen die bezweren. Venijnig mannetje met scherpe handen. Ga weg daar bij die vlam, pas op voor de oleanderwalm. Brandt in hart, rookt in aderen, stopt met infecteren.

 

© Inge Pollet en Wouter Venema, 2019