Dwaal·ka·mer (de,v(m); meervoud: dwaalkamers)

  1. Denkbeeldige deelruimte in het hoofd (de bovenkamer)
  2. Beeldspraak om ruimte aan te duiden waar men zijn gedachten ordent, in meervoud te beschouwen als een denkbeeldig gebouw of eventueel stuk natuur
  3. Natuurlijke besloten ruimte: de dwaalkamer van het geheugen.

Getijden. Door mijn wimpers zag ik een nieuw landschap. Er stonden kleine duinen met waaiende kuiven van gras, zij wuifden mij toe. Een onzichtbare hand gaf het zand een zetje de lucht in. De zee rolde gemoedelijk af en aan. In het gebied tussen mijzelf en het grote water was een drassige vlakte. Vogels buitelden er over elkaar heen, de lucht trok snelle sporen in de plassen.

Ik dwaal tegenwoordig graag door open landschappen die veel water hebben. De grond is er al naar gelang het getijde verzadigd, er groeien speciale mossen en planten. Ieder detail is een kosmos. Zo denk ik over het denken na, als in- en uitspoelend water. Het stroomt weleens over als er meer gedachten zijn dan woorden. Dan blijft het lang vochtig, maar zijn er meer kansen voor zeldzame wieren. De lucht boven dit land is vaak open en helder, en de kleur verschiet in de tijd. De natte klei neemt bezit van mijn voeten, en een eindje verderop ploeg ik door het losse zand. Dit landschap verandert steeds, geen dag is hetzelfde.