Halo

Boven de straten hangt een gordijn van dampend ongeduld.
De natte regenlucht zwiept drie gebouwen hoog.
Het wil lente zijn. Aan de bosrand kringt een halo van bloesem.

Zo wit en toch niet kunnen sneeuwen. Kom, schiet op, denk ik soms.
Trek een sprintje, wees dapper. Het blijkt weer wachten te zijn.
In deze tussentijd smeer ik de hiaten in het terras vol woorden

en seringen. ‘s Avonds ben ik niemand. Hapert, staat op wacht.
Ik kom maar niet verder hier. Raak geen plek, schamp geen rand.
Mijn handen droog van het denken, mijn vingers aan de kant.

 

*

Gepubliceerd in het Liegend Konijn 2020/2

Voorgelezen op Radio Klara in het programma Klassiek Leeft, december 2020